Uit het nieuws 29-05-2017

 

Door: Franklin ter Horst

 

De Zesdaagse oorlog 50 jaar geleden. (deze nieuwsbrief bestaat uit 2 delen)

Volgens de Joodse kalender was 24 mei dit jaar de dag dat Jeruzalem (de stad van God) herenigd werd onder IsraŽlisch bestuur. Deze dag werd in IsraŽl uitbundig gevierd. Klik hier en hier voor enkele reportages. Volgens de Westerse kalender is Jeruzalemop 7 juni weer onder IsraŽlisch bestuur gekomen en dat moet zo blijven.

Het is inmiddels 50 jaar geleden dat IsraŽl gedwongen werd een militaire operatie te beginnen om een totale vernietiging te voorkomen waartoe de Arabische landen hadden opgeroepen. ďDe Zesdaagse oorlogĒ werd voor IsraŽl een oorlog van pure overleving. Voor het samenstellen van deze nieuwsbrief heb ik diverse bronnen geraadpleegd die handelen over de tijd van vůůr, tijdens en na deze oorlog.

 

De zesdaagse oorlog was een van de grootste wonderen van God in de geschiedenis van de huidige staat IsraŽl. Er zijn tijdens deze oorlog zulke grote wonderen gebeurd(klik ook hier) dat zelfs de meest hardnekkigste atheÔst er geen verklaring voor heeft. Deze oorlog was voor IsraŽl niet alleen een enorme militaire overwinning, maar kreeg hierdoor ook het aloude Bijbelse land Samaria en Judea, het oostelijk deel van Jeruzalem en de Golan hoogvlakte weer in bezit. Het IsraŽlische leger deelde een onvoorstelbare preventieve klap uit. Na de oorlog beschuldigden diverse wereldleiders IsraŽl ervan deze gebieden illegaal in bezit te hebben genomen, maar ze zijn juist bevrijd van de Jordaanse en Syrische bezetters. Deze gebieden en de stad Jeruzalem maken een onlosmakelijk onderdeel uit van IsraŽl. Het IsraŽlische leger heeft juist een eind gemaakt aan deze bezetting.

 

Egypte en SyriŽ treffen voorbereidingen IsraŽl te vernietigen.

 

Na de vernederende nederlaag in de oorlog van 1948 was het bepaald niet over met de vijandigheid van de verschillende Arabische landen. Zo stelde Gamal Abdul Nasser die in 1952 door een staatsgreep aan de macht kwam in Egypte, zich uiterst onverzoenlijk tegen IsraŽl op.

 

Gamal Abdul Nasser

 

Nasser beschouwde zichzelf als de grote leider van de Arabische volkeren in hun strijd tegen het westerse imperialisme en tegen IsraŽl. Hij sloot in 1955 een overeenkomst met Tsjecho-Slowakije voor de leverantie van wapens, waardoor Egypte een geduchte militaire macht wist op te bouwen. In juli 1956 nationaliseerde Egypte het Suezkanaal als reactie op een Amerikaanse weigering financiŽle hulp te verstrekken voor de bouw van de Aswandam.

 

Ondertussen sloot de Sovjet Unie een overeenkomst met SyriŽ, waarna dit land grote wapenzendingen ontving. Egypte en SyriŽ sloten intussen militaire overeenkomsten, evenals Irak en JordaniŽ en tenslotte sloot JordaniŽ zich aan bij de Egyptisch-Syrische alliantie, een zeer catastrofale beslissing van de Jordaanse koning Hoessein zoals later zou blijken. Op maandag 29 oktober 1956 ontketende IsraŽl de SinaÔ oorlog. Onder gezamenlijke druk van de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten moest deze campagne tot stilstand worden gebracht. IsraŽl trok zijn strijdkrachten terug uit de SinaÔ, maar niet nadat de VS de vrije toegang tot de Straat van Tiran had gegarandeerd. Een belofte die Washington trouwens niet is nagekomen! Ook de jaren daarna bleek Washington met regelmaat een uiterst onbetrouwbare Ďvriendí. Daarnaast werd een vredesmacht van de Verenigde Naties gestationeerd in de Gazastrook, de SinaÔ woestijn, langs de IsraŽlische grens en bij Sharm el-Sheikh.

 

Na de SinaÔ Oorlog werd de grondslag gelegd voor een verdere uitbouw van het IsraŽlische leger. De luchtmacht werd versterkt met straaljagers en luchtdoelraketten. De pantserbrigades werden uitgebreid en met nieuwe tanks uitgerust. Mobiele artillerie werd in gebruik genomen en de opleiding en de training werden vooral gericht op een eventueel gezamenlijk optreden van tankeenheden, infanterie, luchtlandingstroepen, artillerie, genie met ondersteuning van de luchtmacht. Aan het begin van de jaren zestig werden er in Frankrijk en Duitsland kanonneerboten besteld en in IsraŽl zelf werd de ontwikkeling van de GabriŽl , een Ďzee-tot-zeeí raket ter hand genomen.

 

De nederlaag die Nasser in de SinaÔ had geleden, verhardde zijn vijandige houding ten opzichte van IsraŽl. De Arabische leiders dwingen nu eenmaal graag hun grote gelijk af met het zwaard in de hand. De doodscultuur staat hoog aangeschreven bij deze dictators. SyriŽ en Egypte besloten hun beide staten te laten opgaan in de Verenigde Arabische Republiek, die onder leiding van Nasser stond.

 

Op 10 oktober 1960 hield de IsraŽlische minister van Buitenlandse zaken Golda Meir een toespraak voor de Verenigde Naties, waarin ze de Arabische leiders dringend opriep om met IsraŽl over een vredesakkoord te onderhandelen. Nasser antwoordde dat Egypte IsraŽls bestaansrecht nooit zou erkennen. Deze dreiging werd breed gedragen in de Arabische wereld. In 1961 werd er in SyriŽ een staatsgreep gepleegd om het land van de Egyptische overheersing te bevrijden, waarmee de samenwerking met Egypte werd opgezegd. Toch bleef Nasser pogingen aanwenden om de pan-Arabische wereld voor zijn idealen te winnen.

Golda Meir

 

Op een Arabische topconferentie (januari 1964 te Cairo) werd besloten het water van de Jordaan, dat op Syrisch en Libanees grondgebied gelegen bronnen ontsprong om te leiden en aan te sluiten op het irrigatiesysteem in JordaniŽ om zodoende IsraŽls nationale irrigatiesysteem onmogelijk te maken. Er werd een gezamenlijk Arabisch commando ingesteld om eventuele reacties op dit plan van IsraŽls zijde af te slaan. Tevens werd in dezelfde tijd de PLO (Palestine Liberation Organisation) opgericht, waarmee het conflict een nieuwe dimensie kreeg. De bijeenkomst van Arabische leiders eindigde met de tekst: ,,De vergadering is unaniem in het definiŽren van nationale doelstellingen voor de bevrijding van Palestina van Zionistisch kolonialisme. De vergadering verwelkomt de oprichting van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) om de Palestijnse Eenheid te bewerkstelligen en als voorhoede van de collectieve Arabische strijd voor de bevrijding van Palestina.Ē

 

De eerste terreuractie vond plaats op 2 januari 1965, toen er een bomaanslag werd gepleegd op het leidingstelsel van IsraŽls irrigatiesysteem. Vanuit JordaniŽ en Libanon werden nog meer acties op touw gezet. In antwoord daarop voerde het IsraŽlische leger enkele vergeldingsacties uit tegen de landen, die onderdak boden aan terreurorganisaties.

 

Op 8 maart 1965 riep Nasser: ,,We veroveren Palestina niet met haar bodem bedekt met zand, maar met haar bodem gedrenkt in het bloed.Ē Deze uitspraak gedaan twee jaar vůůr de oorlog van 1967, liet al weinig twijfel aan zijn werkelijke bedoelingen. In november 1966 sloten Egypte en SyriŽ opnieuw een verdedigingspact. In april 1967 begon SyriŽ met beschietingen op nederzettingen aan de IsraŽlische kant van de grens aan het meer van Tiberias. Ook de IsraŽlische grensdorpen werden steeds vaker beschoten. De IsraŽlische luchtmacht reageerde met het neerschieten van zes Syrische straaljagers. Uit vrees voor verdere IsraŽlische acties verhoogde SyriŽ daarop de druk op Egypte om voldoende steun voor zijn aanvalsplannen te verkrijgen. Yitzhak Rabin, de toenmalige stafchef van het IsraŽlische leger en later premier van IsraŽl, gaf de Syrische regering de duidelijke boodschap dat IsraŽl de provocaties niet straffeloos over zich heen zou laten gaan. De Sovjetleiders in Moskou stimuleerden en ondersteunden het oorlogsplan van SyriŽ omdat zij hierdoor voor het eerst directe voet in het Midden-Oosten aan grond konden krijgen.

 

Six_day_war_into_the_seaDe Libanese cartoonist Al-Farida, niet vies vanantisemitische propaganda aan de vooravond van de Zesdaagse Oorlog, laat Nasser een Jood de zee in schoppen, met op de achtergrond de legers van Libanon, SyriŽ en Irak die hem steunden.

Op 15 mei 1967 mobiliseerde Egypte en trok het leger van Nasser in strijd met eerdere overeenkomsten het Suezkanaal over en rukte op naar de aan IsraŽl grenzende SinaÔ. De volgende dag eiste Nasser dat de VN-vredesmacht (United Nations Emergency Force) zich uit het grensgebied diende terug te trekken om ruim baan te geven aan het Egyptische leger. Secretaris generaal U Thant gaf zonder enige tegenstand gehoor aan de eis en liet de internationale blauwhelmen hals over kop de Gazastrook en Sharm el-Sheikh ontruimen. Abba Eban (1915-2002), IsraŽls toenmalige minister van buitenlandse zaken merkte na het vertrek van de VN troepen terecht op: ,,Mensen in ons land en in tal van landen vragen zich af wat het nut is van een VN-leger dat, als het ware opereert als een paraplu, die wordt weggehaald zodra het begint te regenen?Ē Eban reikte de hele wereld en al haar Arabische vijanden de hand om samen tot een vredesakkoord te komen maar dat mocht allemaal niet baten. IsraŽl met slechts 2.5 miljoen inwoners, zag zich genoodzaakt te mobiliseren.

Abba Eban

Op 18 mei mobiliseerde SyriŽ en was op de zender De Stem van de Arabieren te horen: ,,De enige methode die we zullen aanwenden is totale oorlog, die de vernietiging van de zionistische entiteit zal inhouden.Ē Op 20 mei 1967 meldde de Syrische minister van Defensie Hafez Assad: ďOnze troepen kunnen de bevrijding gaan uitvoeren, om de zionisten van het Arabisch grondgebied te verdrijvenÖIk, als militair, geloof dat de tijd gekomen is om de vernietigingsslag toe te brengen.Ē Op 22 mei 1967 zei president Nureddin al-Attasi van SyriŽ: ďWij willen een volledige bevrijdingsoorlog om de zionistische vijand te vernietigen.Ē Het vertrouwen van Egypte in een overwinning was sterk gegroeid vanwege de passieve houding van zowel IsraŽl als de internationale gemeenschap in reactie op het terugsturen van de VN-vredesmacht.

Eveneens op 22 mei, vijftien dagen voor de oorlog, blokkeerde Egypte -volledig in strijd met de VN-akkoorden-de Straat van Tiran (Golf van Akaba) het scheepsverkeer van en naar IsraŽl in de wetenschap, dat IsraŽl een dergelijke provocatie als een oorlogsdaad zou aanmerken. Ze blokkeerden daarmee IsraŽls enige aanvoerroute vanuit AziŽ en de voor IsraŽl zo noodzakelijke aanvoer van olie vanuit PerziŽ (het huidige Iran) af. Nasser daagde IsraŽl uit: ,,De Joden noemen de blokkade een oorlogsdaad. Ik antwoord ze: kom maar op! We zijn klaar voor een oorlog IsraŽl vroeg de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de Golf van Akaba weer te openen, zoals deze landen in 1957 gegarandeerd hadden te zullen doen. Die IsraŽlische oproep bleef echter onbeantwoord.

Op 27 mei riep Nasser: ,,Ons primaire doel is de vernietiging van IsraŽl. Het Arabische volk wil vechten. We zullen co-existentie met IsraŽl nooit accepteren. De oorlog met IsraŽl bestaat al sinds 1948.Ē Op 28 mei 1967 zei hij: ,,Onze daad zal de wereld verbazen. Ze zullen zien dat de Arabieren klaar staan voor oorlog. Wij erkennen het bestaan van IsraŽl niet. Ons doel is het volledige herstel van Palestina en de vernietiging van IsraŽl. Ons eerste doel: vervolmaking van de Arabische militaire macht. Ons nationale doel: de vernietiging van IsraŽl.Ē

Nasser: we staan klaar voor de oorlog

Volgens de historicus Michael Oren wilde Egypte IsraŽl aanvallen op 28 mei, de zogenaamde operatie Dawn. IsraŽl ontdekte de plannen en bracht de Verenigde Staten daarvan op de hoogte, die op zijn beurt de Sovjet Unie waarschuwde, waarna Egypte het plan afblies. Het plan kwam uit de koker van Veldmaarschalk Amer, de machtigste man binnen het leger. Ongeveer 465.000 Arabische soldaten, meer dan 2880 tanks en 810 vliegtuigen omsingelden IsraŽl. IsraŽl werd volledig door zijn bondgenoten in de steek gelaten en was helemaal op zichzelf aangewezen.

Op 30 mei ondertekende koning Hoessein van JordaniŽ, een defensief verdrag met Egypte en ook Irak sloot zich daarbij aan. Nasser zei bij die gelegenheid: ,,De legers van Egypte, JordaniŽ, SyriŽ en Libanon staan aan de grenzen van IsraŽl en achter ons staan de legers van Irak, Algerije, Koeweit, Soedan en de gehele Arabische natie. De wereld zal van ons versteld staan. Vandaag weten ze dat de Arabieren klaar staan voor de strijd, het uur is gekomen. Nu gaat het nog om actie en niet om verklaringen.Ē In IsraŽl werden reservisten opgeroepen, maar de regering wachtte met een daadwerkelijk optreden tot alle politieke mogelijkheden waren uitgeput.

Op 31 mei en 1 juni zei de president van Irak Abdel-Rahman Aref: ,,Het bestaan van IsraŽl is een fout die gecorrigeerd moet worden. Ons doel is duidelijk: IsraŽl van de kaart vegen. Broeders laten wij elkaar ontmoeten in Tel Aviv en Haifa.ĒOp 1 juni zei PLO voorzitter Ahmed Shukairy: ,,Dit is een strijd voor het thuisland-het is wij of de IsraŽliís. De Joden van Palestina zullen moeten vertrekken. Overlevenden van de oorspronkelijke Joodse bevolking kunnen blijven, maar ik schat dat niemand van hen het zal overleven.Ē

Eveneens op 1 juni kwam er onder leiding van Levi Eshkol een regering van nationale eenheid tot stand en werd Moshe Dayan benoemd tot minister van Defensie. Op dezelfde dag lieten de Verenigde Staten weten niet van zins te zijn met een internationale zeemacht de blokkade van de Straat van Tirana te zullen breken.

Moshe Dayan was voorstander van een preventieve aanval vanwege de provocaties van de Arabische buren omdat een oorlog onafwendbaar leek. Een preventieve aanval zou de verliezen aan de IsraŽlische kant enorm verkleinen. Om vernietiging te voorkomen besloot IsraŽl daarom niet langer lijdzaam toe te zien en besloot om 7.45 in de ochtend van 5 juni met een verrassingsaanval op de Egyptische vliegvelden.

Vernietiging Egyptische vliegtuigen

De Egyptische luchtmacht bezat 385 vliegtuigen, allemaal van Russische makelij waaronder 45 Tupolev Tu-16 Badger bommenwerpers. De IsraŽlische bombardementen richtten zich zowel op de vliegtuigen, als op de landingsbanen die daardoor volledig onbruikbaar werden. Onbeschadigde Egyptische vliegtuigen konden daardoor niet opstijgen en bleven een gemakkelijk doelwit voor de volgende golf bombardementen. De luchtmacht van de toen nog maar 19 jaar jonge staat IsraŽl, die in zijn korte tijd al twee oorlogen had doorstaan (de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 en de Suez crisis in 1956), wist in nauwelijks drie uur tijd de volledige Egyptische luchtmacht te vernietigen zonder noemenswaardige verliezen aan haar kant. Egypte beweerde ten onrechte dat men 160 IsraŽlische vliegtuigen had neergehaald en aan de winnende hand was. De Egyptische veldmaarschalk Amer zat die ochtend zelf in de lucht en verbood het leger om luchtafweer te gebruiken uit angst dat zijn eigen vliegtuig geraakt zou kunnen worden.

Ondanks het verlies zond Cairo overwinningsberichten naar de Jordaanse, Syrische en Iraakse luchtstrijdkrachten. JordaniŽ hield zich op dat moment nog afzijdig en IsraŽl gaf koning Hoessein het advies zich buiten de oorlog te houden. Nasser eiste echter van hem aan de strijd deel te nemen en loog dat hij bezig was met een massieve en succesvolle Egyptische aanval op IsraŽl. Gesterkt door deze informatie gaf Hoessein zijn luchtmacht de opdracht tot het bombarderen van onder meer Netanya, Tel Aviv en Jeruzalem.

Jordaanse bombardementen

Ook werd het grootste militaire vliegveld van IsraŽl, Ramat David, met granaten bestookt. Jeruzalem werd beschoten met duizenden mortier granaten waarbij diverse burgerdoelen werden geraakt, waaronder het Hadassah Hospitaal en de Kerk op de Berg Zion. Bij deze bombardementen kwamen 20 IsraŽliís om het leven en raakten 1000 gewond en werden 900 gebouwen in het westelijk deel van Jeruzalem beschadigd. Dit alles gebeurde allemaal voordat IsraŽl ingreep.

Na herhaalde IsraŽlische waarschuwingen zich terug te trekken, en nadat JordaniŽ een door de VN voorgesteld en door IsraŽl geaccepteerd staakt-het-vuren afwees, moest IsraŽl wel reageren en opende met aanvallen op Jordaanse vliegvelden en op Jordaanse strijdkrachten in het noorden van Samaria en Judea en in de buitenwijken van Jeruzalem. Het vernietigde Ė net als bij Egypte Ė eerst de luchtmacht, zodat het totale superioriteit in de lucht had. Binnen 36 uur controleerden de IsraŽlische troepen alle toegangswegen naar Jeruzalem. In de nacht van 6 op 7 juni begon de historische slag om de stad Jeruzalem. De moslimwijk van de Oude stad werd beschoten en via de Leeuwenpoort drongen de soldaten naar binnen en rukten in korte tijd op naar de Tempelberg en de Klaagmuur. Daarna veroverden de IsraŽlische troepen de aloude Bijbelse gebieden Samaria en Judea. Het Jordaanse leger en de luchtmacht werden praktisch geheel vernietigd. De Jordaanse militairen die de strijd hadden overleefd, werden de Jordaan over gedreven. Op 8 juni gaven de JordaniŽrs zich over.

Links IsraŽlische militairen met zicht op de veroverde stad Jeruzalem. Rechts Moshe Dayan loopt de Oude Stad binnen.

 

Franklin ter Horst