Salomo, koning der IsraŽlieten

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 23 augustus 2012) (Laatste bewerking: 8 september 2015)

Salomo, wiens naam zowel zon als vrede betekent, was koning van IsraŽl en Juda in de periode van ca 965 tot 926 v. Chr. Hij was de tweede zoon van David en Bathsťba. Als jongere zoon had hij geen rechten op de troon, maar Natan, Salomoís leermeester, en Bathsťba zijn moeder, wisten koning David ertoe te bewegen Salomo tot koning te benoemen in plaats van zijn broer Adonia. Voortbouwende op de successen van zijn vader David, die de natie tot een eenheid had gemaakt, maakte Salomo IsraŽl tot een grote mogendheid. Zijn koninkrijk was in twaalf districten verdeeld; Koninklijke ambtenaren konden zodoende controle uitoefenen op de heffing van de belastingen. Voor dat doel werd een aantal ministers en hoge functionarissen benoemd. De belasting werd op tweeŽrlei wijze geheven, namelijk op iemands eigendom en in de vorm van herendienst. Daarnaast waren de burgers van het land op gezette tijden verplicht mee te helpen bij de bouw van grote projecten. Jeruzalem dat door David op de Jebusieten was veroverd, werd de hoofdstad van het land en diende tevens als het administratieve en culturele centrum van het land.

 

Volgens het eerste boek Koningen was Salomo wijzer dan alle andere mensen en schreef hij 3000 spreuken en meer dan 1000 liederen. Vandaar dat aan hem drie Bijbelboeken worden toegeschreven te weten; Spreuken, Prediker en het Hooglied, naast het apocriefe boek dat de ďWijsheid van SalomoĒ wordt genoemd. Salomo was ook een groot kenner van de natuur. Hij sprak met kennis van zaken over allerlei soorten bomen, vanaf de ceder op de Libanon tot de Hysop die opschiet uit de muur; ook sprak hij over allerlei diersoorten, van vogels tot viervoeters en van kruipende dieren tot vissen.

Kort na zijn kroning had Salomo een ervaring die het karakter van zijn regeerperiode zou bepalen. God verscheen hem in een droom en vroeg hem welke bijzondere gave hij graag zou willen hebben. De koning antwoordde: 1 Koningen 3:9-10 Geef dan uw knecht een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte, door te onderscheiden tussen goed en kwaad, want wie zou in staat zijn dit talrijk volk te richten? En het was goed in de ogen des Heren, dat Salomo dit gevraagd had.

Verheugd over dit verzoek beloofde God hem niet alleen wijsheid, maar ook rijkdom en aanzien, vooropgesteld dat hij Gods wegen zou blijven bewandelen en Zijn wetten en geboden zou onderhouden.1 Koningen 6:1 In het vierhonderd tachtigste jaar na de uittocht der IsraŽlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van Salomoís regering over IsraŽl, in de maand Ziv, dat is de tweede maand, bouwde hij het huis voor de Here.

Al in Exodus wordt beschreven dat de IsraŽlieten de opdracht krijgen een heiligdom voor God te maken

Exodus 25:8-9 En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei.

Zeven hoofdstukken van Exodus zijn gewijd aan de gedetailleerde instructies die God geeft voor de bouw, de inrichting en de eredienst. In de tabernakel verrichtte de hogepriester samen met de priesters en de Levieten de ceremoniŽn. BesaleŽl en Oholiab, twee uiterst getalenteerde vaklieden, volgden nauwkeurig de instructies op, die God aan Mozes gaf voor de bouw van de tabernakel en alles wat erbij hoorde. (Exodus 31:6) De tabernakel was 35 meter lang, 11 meter breed en 11 meter hoog, en werd omringd door zuilen en gordijnen, met een terrein eromheen van 115 bij 48 meter. Het geraamte van de tent was gemaakt van acasiahout dat met goud en zilver was bekleed, en er hingen tapijten aan de muren. De tabernakel was zo ontworpen, dat hij vervoerd kon worden. Binnenin scheidde een gordijn de voorkamer (het Heilige) van de achterkamer (het Heilige der heiligen). De ark van het verbond (aron habrit) stond in het Heilige der heiligenwaar God zijn heerlijke tegenwoordigheid (Sjechina) openbaarde. Slechts ťťn dag per jaar op jomkippoer (de grote verzoendag)- mocht de hogepriester het Heilige der heiligen binnengaan om verzoening te doen voor heel het volk IsraŽl.

In het Heilige stond de tafel met de toonbroden waar twaalf broden op lagen, voor elk van de twaalf stammen van IsraŽl ťťn. De zevenarmige kandelaar (menora) en het wierookaltaar stonden naast de tafel. In het voorhof stond het brandofferaltaar en vlak voor de ingang van de tabernakel stond het bronzen wasbekken waarin de priesters hun handen en voeten wasten. Bij de inwijding van de tabernakel werden de voorwerpen in het Heilige ingewreven met mirre, aloŽ en kaneel, en gedrenkt in zalfolie.

De Tabernakel Artwork by  Pat Marvenko Smith, Copyright 2000

De Levieten waren degenen die door God waren uitverkoren het priesterambt te vervullen. De Bijbelboeken Exodus en Leviticus beschrijven heel nauwkeurig het luisterrijke ceremonieel waarmee Ašron en zijn vier zonen werden gewijd tot de eerste priesters.

God gebood dat de Tempel, de heiligste plaats voor het volk van IsraŽl, in Jeruzalem op de berg Moria gebouwd moest worden. Het was Gods woning (misjkan), de plaats van de Ark van het verbond (aron habrit) en het geestelijk centrum van de kinderen van IsraŽl. De wens om een echt "Huis" voor de Here te mogen bouwen kwam van David nadat hij de "Ark van het Verbond" uit het huis van Abinadab in Kirjath Jearim had overgebracht naar Jeruzalem, de nieuwe hoofdstad. In 2 SamuŽl 24:18-25 staat de aankoop door koning David van de dorsvloer van de Jebusiet Arauna en ook de reden, waarom hij deze dorsvloer kocht. Hij wilde daarop een altaar voor de Here bouwen om een offer te kunnen brengen "opdat de plaag van het volk mocht ophouden". Deze dorsvloer was de berg Moria. Moria was al lang een heilige berg voordat er een Tempel werd gebouwd. Volgens de traditie was dit de plaats waar Adam, God op deze plaats een dankoffer bracht voor zijn schepping en ook de plaats waar KaÔn en Abel hun altaren bouwden en offers brachten. Ook was het de plaats waar Noach God dankte voor zijn redding en waar Abraham zijn zoon Isašk had gebracht om hem op Gods bevel te offeren.

Ark des Verbonds, ook wel Ark des Heren

In 1 Kronieken wordt beschreven dat David voor zijn dood de bouwplannen voor de Tempel had laten maken en alle benodigde materialen daarvoor bijeen had gebracht. Hij had zelfs de dienst van de priesters in de toekomstige Tempel georganiseerd. Volgens een Joodse overlevering zou God een "Temple Scroll" aan Mozes hebben overhandigd met daarin alle details voor de bouw van de Tempel en alle tempelbenodigdheden. De Tempel van Salomo was in de basis identiek aan het ontwerp en vormgeving van de Tabernakel in de woestijn, alleen groter. De eer om een huis voor de Here te bouwen viel niet aan David omdat hij een krijgsman was en veel bloed voor Gods aangezicht had vergoten. Het was Salomo, zijn zoon die het huis voor de Here mocht bouwen.

Door het koningschap van David met het aansluitende koningschap van diens zoon Salomo, heeft God een profetisch beeld willen geven. Het was de uitbeelding van het toekomstige Koninkrijk der Hemelen onder leiding van Jezus Christus.

Voor de bouw van de verschillende gebouwen verzocht Salomo aan Hiram, de koning van Tyrus, hem hout te leveren uit de cederbossen van de Libanon, en eveneens alle houtbewerkingarbeid voor de Tempel te verrichten. De naam van Hiram wordt door Flavius Josephus aangehaald en komt ook voor in een lijst van koningen van Tyrus vermeldt door Menander van Efeze (tweede eeuw v. Chr). Hiram is bewezen een historische figuur te zijn. Voor zover bekend zijn er nog 13 van de beroemde cederbomen over in Libanon die gelden als de mooiste bomen ter wereld. Ze groeien uiterst langzaam, gemiddeld maar een centimeter per jaar. De oudste boom die nu nog in de Libanon staat is bijna veertig meter (vierduizend centimeter). Botanici schatten dat deze boom thans ongeveer 4000 jaar oud moet zijn. De boom leverde het meest gewilde hardhout uit de wereldgeschiedenis. Het beroemde volk van de FeniciŽrs bouwde van dit hout schepen waarmee ze de Middellandse zee bevaarden en de Perzische koning Nebukadnezar pochte: Om te bouwen bracht ik machtige ceders, die ik met mijn eigen handen velde op de berg Libanon.Ē

Salomo rekruteerde 30.000 man (buiten Hirams lieden) voor werk aan zijn project. Daarnaast gebruikte hij 70.000 man op zijn aanvoerlijnen (lastdragers) en nog eens 80.000 steenhouwers om te werken in de groeven van Zeredathad. Tenslotte werden nog eens 3300 opzichters aangesteld. (1 Koningen 5) Salomo hield toezicht op de bouw van Jeruzalem en van de schitterende Tempel die was toegewijd aan God. Het is duidelijk dat, hoe ook de werkwijze bij het bouwen van de tempel precies is geweest, bij Salomo het idee voorlag om er niet het werk van de mens mee te symboliseren, maar dat van zijn Hemelse Vader. Aan de bouw van de tempel werd begonnen binnen vier jaar na Salomoís troonsbestijging en werd in de opmerkelijke korte tijd van zeven jaar voltooid. Latere verhalen vertellen dat gedurende de bouwperiode geen arbeider ziek werd of stierf en dat geen enkel werktuig tekenen van slijtage vertoonde. Salomoís tempel verschafte alle IsraŽlieten een centraal punt voor hun godsdienstbeleving.

In de Tempel zou de Ark des Verbonds worden geplaatst, met daarin de platen van de wet die Mozes op de berg SinaÔ had ontvangen. Deze Tempel werd het nationale heiligdom van de IsraŽlieten. De Joodse historicus Josephus meldt in zijn Antiquities: ďHet gehele lichaam van de tempel was met zeer groot vakmanschap opgebouwd uit gepolijste stenen die zo glad en in onderlinge overeenkomst zo perfect tegen elkaar geplaatst dat het voor een toeschouwer leek of er geen enkele hamer of ander stuk gereedschap gebruikt was, maar eerder alsof zonder gebruik daarvan alle materialen zich op natuurlijke wijze hadden verenigd.Ē

1 Koningen 6:7 Toen het huis gebouwd werd, werd het opgetrokken van steen, afgewerkt aan de groeve, en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis.

Het inwendige van de Tempel was verdeeld in drie ruimten. Bij het binnentreden passeerde men eerst twee massieve bronzen zuilen; elk met een omtrek van ca zes meter en een hoogte van ca twaalf meter. De zuilen werden Jakin (vestigen) en Boaz (door sterkte) genoemd. Gecombineerd betekenen deze twee woorden ďDoor sterkte is deze plaats voor eeuwig gevestigdĒ.  

De meest gangbare suggestie is dat Salomoís zuilen het zinnebeeld zijn de kinderen IsraŽls steeds te herinneren aan die twee wonderbaarlijke zuilen van vuur en damp. Koning Salomo gaf opdracht om hen bij de ingang van de Tempel te plaatsen, opdat de IsraŽlieten zo vaak zij de plaats des Gebeds bezochten, de bevrijding van hun voorouders zouden gedenken. Na een voorportaal dat ruim vijf meter diep was, moest men door vergulde deuren van cypressenhout, die versierd waren met bloemen, palmbomen en cherubs. In het Oude Testament verschijnen de cherubijnen als hemelse wezens, dienaren van God, zij openbaren Zijn aanwezigheid en dragen Hem nabij. In EzechiŽl 1:10 verschijnen vier cherubijnen als de troonwagens van God. Zij hebben elk een ander gezicht, mens, leeuw, stier en adelaar.

Achter een tweetal vergulde deuren van olijfhout, in dit vertrek, lag een vertrek dat gewone priesters nooit te zien kregen. Dit was het absolute ďHeilige der HeiligenĒ. Het had de vorm van een volmaakt vierkant waarvan iedere wand 10.60 meter lang was. Slechts een keer per jaar drong er licht binnen; op Grote Verzoendag, als de hogepriester er boete deed voor het volk. In het vertrek stond de Ark met de twee stenen platen van de tien geboden. Voor de versiering van de tempel waren kosten noch moeite gespaard. Alles was rijkelijk overdekt met houdsnijwerk en bekleed met goud. De ruimten waren gevuld met altaren, tafels en ander meubilair van goud, brons of met goud bekleed houtwerk. De tempel werd verlicht door tien gouden luchters. In de grote zaal stonden een bronzen altaar voor brandoffers en de zogenaamde ďzeeĒ, een bronzen bassin met een doorsnee van ruim vijf meter en een gewicht van bijna dertig ton. Het ruste op twaalf bronzen runderen, gegroepeerd in vier driespannen op elk van de windstreken. Het bassin kon ruim 140.000 later water bevatten dat waarschijnlijk werd gebruikt voor rituele reinigingen. Toen de priesters de Ark des Verbonds in het heiligdom hadden geplaatst, vulde een wolk de tempel zodat de priesters de dienst moesten onderbreken omdat ze niets meerzagen. In het verslag wordt dit verklaard door de tegenstelling tussen de zon, die God aan de hemel heeft geplaatst als een licht voor de mensheid, en zijn eigen keuze in het duister te wonen.

 

De Levieten hielpen de priesters (kohaniem) in de tempeldienst. Het dagelijkse offer (tamied) werd iedere morgen en iedere avond gebracht; op de sabbat, de nieuwe maan en feestdagen werd een extra offer (moesaf), gebracht. De IsraŽlieten brachten aan het begin van de oogst de eerste vruchten. Ze brachten ook zondoffers voor verzoening. Voor de drie pelgrimfeesten (Pascha, sjavoeíot of Wekenfeest, en het Loofhuttenfeest) trokken de IsraŽlieten in feestelijke processies op naar Jeruzalem en brachten het beste van de oogst mee. De profeten predikten in de tempelhoven.

 

Het ganse project was in zeven jaar gereed en zo prachtvol dat het verschillende malen is aangemerkt als het achtste Wereldwonder uit de oudheid. Iedereen was onder de indruk van Salomoís bouwactiviteiten. Naast zijn onmetelijke rijkdom overtrof Salomo alle koningen der aarde ook nog eens in zijn wijsheid. De gehele aarde verlangde hem te zien en om zijn wijsheid te horen die God hem in zijn hart had gelegd. Onder de vele gasten die op bezoek kwamen was ook de Koningin van Sheba. Zij kwam naar Jeruzalem om Salomo door raadselen op de proef te stellen, met een zeer groot gevolg en met kamelen die specerijen, goud in overvloed en edelgesteenten droegen. Nadat zij bij Salomo gekomen was sprak zij met hem over alles wat zij op haar hart had.

 

Koningin van Sjeba op bezoek bij Salomo

 

Naast de indrukwekkende tempel bouwde Salomo zijn koninklijk paleis waarmee hij zijn ambt verbond met het aanzien van de tempel. In het paleis maakte de koning een grote ivoren troon die hij liet overtrekken met gelouterd goud. Nog nooit werd voor een koning zoiets gemaakt (1 Koningen10:18-19-20).

 

Naast de bouwactiviteiten in Jeruzalem liet Salomo ook elders, op vooral strategische punten, versterkte steden bouwen, waaronder Hazor, Megiddo en Gezer. Salomo bezat maar liefst 1400 strijdwagens met 12.000 ruiters. (1 Koningen 10:26). De welvaart van het rijk werd nog vergroot, doordat hij de handelsroutes beheerste tussen MesopotamiŽ en Egypte. Salomoís koopvaardijvloot werd gebouwd en bemand door de FeniciŽrs uit Tyrus. Tyrus in het huidige Libanon, was eeuwenlang een belangrijke haven en handelsstad. De vloot van Salomo had haar thuisbasis in de havenstad Esjon-Geber, gelegen aan de noordelijke punt van de Golf van Akaba (Golf van Eilat). De Bijbel vertelt dat de schepen naar Ofir voeren om er goud te halen. Dit geheimzinnige Ofir is op nogal uiteenlopende plaatsen gesitueerd. Hoewel sommigen vermoeden dat er SomaliŽ mee is bedoeld, zijn anderen van mening dat Salomo zijn goud uit Zimbabwe haalde. De ruÔnes van Zimbabwe, in het voormalige RhodesiŽ, is door velen geÔdentificeerd als het mysterieuze Ofir. De schepen brachten allerlei lading mee terug, behalve goud ook zilver, kostbare houtsoorten, ivoor en andere artikelen. De economie floreerde als nooit tevoren. In 1 Koningen 10:14-29 worden Salomoís inkomsten en zijn rijkdom beschreven. Hij kocht paarden en wagens in Egypte en trainde deze paarden tot strijdrossen.

Een internationaal team van archeologen gelooft dat Salomoís befaamde kopermijnen zich bevinden in Khirbat en-Nahas (wat koperruÔnes betekent in het Arabisch), in JordaniŽ. Eťn van de vondsten, een Egyptische scarabee en amulet, wijzen op een onderbreking in de mijnactiviteiten aan het eind van de 10e eeuw v. Chr. Deze gebeurtenis wordt in verband gebracht met de militaire campagne van de Egyptische farao Shishak, die volgde op de dood van Salomo. Het gebied ligt in het in de Bijbel genoemde koninkrijk Edom, ťťn van de vijanden van het volk van IsraŽl.

Salomoís kopermijnen in Khirbat en-Nahas in het huidige JordaniŽ

De Bijbel vertelt dat Salomo aan het eind van zijn leven verviel in afgoderij.1 Koningen 11:1-2 Koning Salomo nu had behalve de dochter van de Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische, behorende tot die volken van wie de Here God tot de IsraŽlieten had gezegd, ďGij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlatenĒ.

Het geschiedde namelijk toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de Here, zijn God, niet volkomen meer was toegewijd gelijk dat van zijn vader David. Zo liep Salomo Astarte, de godin der SidoniŽrs achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten, en Salomo deed wat kwaad was in de ogen des Heren. Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jeruzalem en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten. De Here werd vertoornd op Salomo omdat hij niet in acht had genomen wat de Here die hem tweemaal verschenen was, geboden had.

 

Naast de problemen door de goden van zijn vrouwen ontstonden er ook grote problemen met de door hem onderworpen gebieden zoals Edom in het zuiden en SyriŽ in het noorden. Zij kwamen in opstand en verzwakten Salomoís greep op het rijk. Bedreigender nog was dat Jerobeam, de zoon van Nebat, tegen de koning opstond. De reden van de opstanden vloeiden voort uit de fikse belastingen welke het volk moest betalen om de pracht van het rijk in stand te houden. Zijn krachtige bestuur wekte uiteindelijk verzet. De opstand van Jerobeam mislukte, maar het oproer brak in volle omvang uit toen Rehabeam, de zoon van Salomo de troon beklom.1 Koningen 11:42-43 De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over geheel IsraŽl geregeerd heeft, was veertig jaar. En Salomo ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van zijn vader David; zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.

De Bijbel vertelt dat na de dood van Salomo, tijdens het bewind van Rehabeam, Sisak de koning van Egypte optrok tegen Jeruzalem.

2 Kronieken 12:9 Sisak dan, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem en nam de schatten van het huis des Heren en van het huis des konings, alles nam hij. Ook nam hij de gouden schilden die Salomo gemaakt had.

Sisak (in het Egyptisch Sjesjonk) is een naam die gedragen werd door vijf Egyptische Farao,s van Libische oorsprong die behoorden tot de 22ste en 23ste dynastie en die regeerden vanuit de Nijldelta, met name vanuit Tanis en Boebastis. De in de Bijbel genoemde Sisak zond volgens Egyptische bronnen in 930 v.Chr., een militaire expeditie naar IsraŽl waarbij Jeruzalem en de Tempel werden geplunderd. Alles wat uit Jeruzalem is meegenomen is door Sisak vastgelegd op de muren van de tempel te Karnak in Egypte. De beschrijvingen van het geroofde meubilair en gerei, de gouden schilden en de gouden wagens uit de tijd van Salomo komen volmaakt overeen met wat de Bijbelboeken Koningen en Kronieken schrijven.

De door Salomo gebouwde Tempel werd uiteindelijk in 587 v.Chr. verwoest door Nebukadnezar. De Bijbel vertelt dat in het negende regeringsjaar van Sedekia, de koning van Babel met zijn gehele leger tegen Jeruzalem optrok en het tot in de zomer van 587, belegerde. Zowel Jeruzalem als de Tempel werden door de BabyloniŽrs volledig in de as gelegd en de bevolking, samen met de schatten uit de Tempel naar Babel meegenomen. De profeet Jeremia had dit allemaal al aangekondigd en de bevolking van Jeruzalem gewaarschuwd dat dit zou gebeuren, maar men wenste niet te luisteren. (Jeremia 26). Ze wierpen hem zelfs in de put van prins Malkia waar hij zonk in het slijk (Jeremia 38: 6).

Toen de Perzische koning Kores (Ezra:1) de opperheerschappij in Babel kreeg, mochten de ballingen terug. In 520 v.Chr. werd begonnen aan de herbouw van de Tempel en in de jaren die volgden werd ook Jeruzalem in al zijn glorie hersteld. Zonder Tempel als zichtbaar teken van het wonen van God in hun midden kon het volk niet leven. Bij het begin van de herbouw bliezen de priesters in hun gewijde gewaden op de Sjofar en zongen Levietenkoren dankliederen aan God. Nadat de Tempel in 515 v. Chr. was voltooid kon het Joodse volk een nieuw leven beginnen in het Heilige Land.

Terug naar: Inhoud