Het Poerimfeest

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 26 mei 2015)

 

Het Joodse volk viert ieder jaar het Poerimfeest (Hebreeuws: פורים), en gedenken daarmee de bevrijding van het Joodse volk dat in de vijfde eeuw v. Chr. in ballingschap leefde in het rijk van de Meden en Perzen (het Perzische Rijk). Poerim valt een maand voor Pesach. Op dit feest herdenkt men in het Jodendom het lot van het Joodse volk. Een andere naam voor Poerim is Lotenfeest. Die naam verwijst naar de nieuwe loten die in de lente aan bomen en struiken ontspruiten. In het Perzisch betekent poer 'lot'. Het wordt gevierd op 14e adar op de Joodse kalender en valt daarmee in het vroege voorjaar. De Joodse kalender is een 'maankalender' en Poerim valt daardoor elk jaar op een andere dag. Op deze dag wordt het feest gehouden in de open dorpen en steden, op de 15e  in de ommuurde steden. Het feest herinnert aan de dreigende ondergang van het Joodse volk. Deze geschiedenis wordt beschreven in het boek Esther. Koning Achasjveros (Xerxes) had de Jodin Esther (haar Hebreeuwse naam was Hadassa) tot vrouw genomen en haar tot koningin gekroond.

 

Xerxes (Koning Achasjveros)

 

Haar neef en pleegvader Mordechaï was ter ore gekomen dat de Perzische hoveling Haman een complot aan het smeden was om de Joden uit te roeien en kreeg daarvoor toestemming van de Perzische koning. (Esther 3) Haman had daarvoor naar Perzisch gebruik een wet uitgevaardigd en naar Perzisch gebruik door middel van een datum lot bepaald op welke dag hij dit wilde doen. Mordechaï deelde dit aan Ester mee en dankzij haar hoge positie wist zij dit aan haar gemaal de Perzische koning over te brengen zodat er op tijd tegenmaatregelen konden worden genomen. (Esther 4) Esther vertelde tijdens een maaltijd met de koning, van Joodse afkomst te zijn, en vertelde dat haar volk dreigde vernietigd te worden door Haman. (Esther 5) Toen de koning dit vernam werden de nodige tegenmaatregelen genomen om -de niet te veranderen wet van Meden en Perzen-  teniet te doen. Het resultaat was dat Haman met zijn zoons en verdere trawanten zelf ter dood werd gebracht en deze potentiële doemdag voor de Joden veranderde in een feestdag. Haman werd veroordeeld tot de galg die voor  Mordechaï was opgericht. Zo werd deze potentiële doemdag voor de Joden een feestdag.(Esther 5: 9 t/m14)

 

Op het poerimfeest wordt in de synagoge het boek Esther voorgelezen uit een bijzondere, met de hand geschreven perkamenten boekrol. Dit wordt verteld door een voorzanger die de melodie van de rol goed kent. Dit wordt herhaald in de ochtend. Telkens als de naam van de boosaardige Haman wordt genoemd wordt er geschreeuwd en wordt er door kinderen gerateld met de Hamanratel om te vieren dat deze slechterik niet heeft gezegevierd maar zelf het onderspit heeft moeten delven. Zo kan niemand de naam van deze vreselijke man horen.

 

Esther rol

Vervolgens wordt er feest gevierd. Dit feest kenmerkt zich door carnavaleske verkleedpartijen, het geven van geschenken aan familie en vrienden. Ook vertellen ze elkaar het verhaal over koningin Esther. Tot slot wordt er lekker gegeten en moet iedereen minimaal twee eetbare gerechten aan vrienden geven. Onder de lekkernijen bevinden zich Hamansoren (ook wel Hamans-flappen genoemd). Dit zijn zoete, driehoekige koekjes gevuld met chocoladepasta, dadelpasta of maanzaad. De “oren’’ verwijzen naar het omkrullen bij het bakken waardoor het op oren gaat lijken. Men eet deze lekkernij om met Haman, een grote bedreiging voor de Joden, te spotten. Ook geeft men geld aan armen of charitatieve doelen en bidt men een speciaal dankgebed tot God.

Het graf van Esther en Mordechaï in Hamadan

Iran noemt het Poerimfeest een dag van rouw en woede omdat op ,,die dag de bloeddorstige koningin Esther en haar oom Mordechaï verantwoordelijk waren voor een massamoord op duizenden ‘Iraniërs”, aldus het bewind in Teheran. Het wordt tegenwoordig voorgesteld als een oude Iraanse holocaust, gepleegd door de Joden. De Iraanse versie laat het deel weg waarin Haman, de raadsheer van de koning, de Perzische koning overhaalt, een decreet te ondertekenen dat de uitroeiing van de Joden van het rijk toestaat. Door Gods genade bleven de Joden grotendeels gespaard, terwijl hun vijanden werden afgeslacht.

Terug naar: Inhoud