De verzegelden uit IsraŽl

 

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 22 januari 2018)

 

Deze nieuwsbrief is tot stand gekomen met medewerking van het Bijbelstudieteam Simonida Dijkhuis-Nijhof en Jur van Calkar

Openbaring 7: 1 t/m 8 ďDaarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang van de zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben. En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren vergezeld uit alle stammen der kinderen IsraŽls. Uit de stam Juda twaalfduizend verzegeldenÖ.

Over deze 144.000 zijn talloze interpretaties te horen. Sommige groeperingen betrekken de 144.000 op zichzelf, zoals de leden van het Wachttorengenootschap, terwijl anderen het houden op de Zevende Dag Adventisten of de Mormonen. Ook bestaan er nogal wat visies dat de 144.000 de huidige gemeente van Christus uitbeelden en ook dat het aantal een symbolische weergave zou zijn van alle gelovigen van alle tijden en van alle volken. Bij de visie dat het om christenen zou gaan zijn de zegeningen weer voor de kerk, en het oordeel, de vloek en rampen voor IsraŽl. Zo heeft de kerk het eeuwenlang verkondigd met alle gevolgen van dien voor het Joodse volk. Er bestaat echter geen enkele twijfel over wie het werkelijk gaat. Gods Woord geeft duidelijk aan waar de 144.000 vandaan komen. Johannes vertelt dat ze bekend en herkend zullen worden. Het gaat duidelijk om gelovigen uit de 12 stammen van IsraŽl die in de Messias Jezus/Yeshua geloven. Uit elke stam zijn er 12.000, zodat hun totaal op 144.000 komt. Deze groep vertegenwoordigd duidelijk het hele volk. Van wezenlijke betekenis is dat een grote groep IsraŽlieten wordt afgezonderd en onkwetsbaar gemaakt voor de nog komende oordelen. Zij zijn geheel gevrijwaard tegen de eindtijdgerichten en dat gebeurt door verzegeling op het voorhoofd.

De 144.000 staan tot God in een bijzondere relatie. In de oudheid was een zegel het zichtbare bewijs van een koninklijk besluit en een bezegeling was het bekrachtigen van een verbond. Tot de huidige dag betekent verzegelen ook dat je van het verzegelde moet afblijven! Het is en blijft het eigendom van degene wiens zegel erop staat! Het zegel dient derhalve ook ter bescherming van het verzegelde voorwerp en in het geval van de hierboven behandelde tekst uit Openbaring. Het zegel is een keurmerk van eigendom, het duidt op eigendomsrecht. Het betekend dat zij Gods eigendom zijn.

Het merkteken op hun voorhoofd beschermt hen echter niet alleen tegen de aanvallen van de antichrist en zijn trawanten, maar ook tegen de engelen die Gods strafgericht aan de ongehoorzame mensheid moeten voltrekken Voor hen is het een teken dat aanwijst wie zij wel en niet moeten straffen. Zij worden daarbij vůůr de verzegeling al ďknechtenĒ genoemd. Over de dienst van de 144.000 wordt niets met zoveel woorden gezegd, maar knechtenhebben vanzelfsprekend een bepaalde taak en het ligt dan ook voor de hand dat zij tijdens de periode van de antichrist, een getuigende bediening hebben. Door hun verzegeling zijn ze kennelijk onkwetsbaar voor de nog komende oordelen. Net als de 144.000 dragen ook de tegenstanders van God een merkteken op hun voorhoofd en of op hun handen. Dit zal later onder (Openbaring 13:16-18)aan de orde komen.

Dus vůůr de oordelen losbreken, moeten alle 144.000 uitverkorenen verzegeld worden. Dat houdt echter niet in dat ze helemaal niets ervaren zullen van de rampen die over de wereld komen. In Openbaring 9 onder de vijfde bazuin is te zien dat de vijandige Boze machten deze verzegelden op geen enkele manier schade kunnen toebrengen net als op de manier waarop de IsraŽlieten in het land Gosen bewaard bleven onder de tien plagen die bestemd waren voor de Egyptenaren.

Exodus 11:7 Maar tegen niemand van de IsraŽlieten zal een hond zijn tong durven roeren, tegen mens noch dier, opdat gij weet, dat de Here scheiding maakt tussen de Egyptenaren en de IsraŽlieten. Zo zullen de 144.000 bewaard blijven.

In Openbaring 9:4-5-6 wordt gesproken van helse pijniging, uitgezonderd die mensen die het zegel van God op hun voorhoofd dragen. De pijniging zal zo erg zijn dat mensen de dood zullen zoeken, maar niet zullen vinden. De genoemde verzegelden zullen bewaard blijven voor de verschrikkelijke plagen die volgen om vervolgens het duizendjarig koninkrijk binnen te gaan zonder de dood gezien te hebben.

Ook de profeet EzechiŽl spreekt van de verzegeling van de rechtvaardigen door een merkteken op hun voorhoofd:

 

EzechiŽl 9:4. ďDe heerlijkheid van de God van IsraŽl nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de tempel, en Hij riep de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg. En de Here zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden.Ē

 

Het Hebreeuwse woord dat met ďmerktekenĒ is vertaald, is ďtavĒ (תָּו). Dat is ook de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Deze letter komt overeen met onze letter Ďtí. In de tijd van EzechiŽl werd deze letter in de vorm van een kruis geschreven, zoals we ook herkennen in onze letter Ďtí. We kunnen er wel de toepassing in zien dat de gelovigen in Jeruzalem voor het oordeel worden bewaard door het teken van het kruis dat door de Man in linnen kleren op hun voorhoofden is aangebracht. In de toekomst, in de tijd van de grote verdrukking, zullen de gelovigen een soortgelijk teken op hun voorhoofd krijgen. Daarover in volgende afleveringen meer. In tegenstelling daarmee zullen de afvalligen het merkteken van het beest op hun voorhoofd dragen. Een geestelijke toepassing van het kruis op het voorhoofd voor ons is dat wij in zelfoordeel leven en niet meer de dingen bedenken van het vlees, van de mens, maar die van God.

Ook JoŽl spreekt over ontkoming: JoŽl 2:32 ďEn het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Here zal roepen!Ē

Vooral de toevoeging dat degenen die de Here zal roepen lijkt erop te wijzen dat daar de 144.000 verzegelden mee bedoeld zijn.

In Zacharia 13:8-9 staat: ďIn het gehele land, luidt het woord des Heren, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen Mijn naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is Mijn volk en zij zullen zeggen: De Here is mijn God!Ē

 

Ook al wordt volgens deze profetie ⅔ van het volk IsraŽl uitgeroeid door de legers van de antichrist, toch zal het overgebleven 1/3 deel, dat de naam van God aanroept, het hele volk IsraŽl vertegenwoordigen. Er zullen dus miljoenen mensen leven om de terugkomst van de Here Jezus persoonlijk mee te maken.

Terwijl in Openbaring 7:4 staat:

ďEn ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen IsraŽlsĒ staat in de verzen 5 t/m 8, dat dit echter niet helemaal klopt, want er ontbreken namelijk twee stammen in de lijst van de 144.000. Het gaat om Dan en EfraÔm. Hetgeen verder opvalt, is dat Levi, de stam van de priesters, er wel bijstaat terwijl deze stam doorgaans weggelaten wordt in de opsomming der 12 stammen gezien het feit dat hij geen erfdeel heeft gekregen bij de verdeling van het land. In Numeri 1:4-46 worden de stamhoofden aangesteld en alle weerbare mannen geteld per stam. In de verzen 47-49 staat:

ďDegenen die tot de stam Levi behoorden werden niet ingeschreven. God had namelijk tegen Mozes gezegd: De stam Levi mag je niet inschrijven, je mag hen niet met de andere IsraŽlieten meetellen!Ē Dat nu Levi wel bij de 144.000 wordt genoemd betekend kennelijk dat er geen sprake meer is van een aparte priesterstam.

Bij de opsomming van de twaalf stammen valt dus op, dat Dan en EfraÔm weggelaten worden terwijl Jozef en Manasse wel op de lijst staan.

Afbeeldingsresultaat voor the 144.000 in revelation 7De twaalf stammen zoals genoemd in Openbaring 7

Dat Dan en EfraÔm ontbreken, is vermoedelijk omdat ze in het Oude Testament bijzonder door afgoderij gekenmerkt worden. In Psalm 78:9-11 wordt EfraÔm als een zeer zondig volk omschreven:

ďEfraÔms zonen, weltoegeruste boogschutters, keerden om ten dage van de strijd. Zij onderhielden Gods verbond niet, zij weigerden in zijn wet te wandelen en vergaten zijn werken en zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.Ē

Dat Dan in Openbaring 7 niet voor komt wil dus niet zeggen dat Dan ook daadwerkelijk als stam verdwenen zou zijn,alleen is er niemand uit die stam verzegeld. Dat zou verband kunnen houden met de profetische woorden van Jakob, waar Dan als een slang wordt voorgesteld:

Genesis 49:17. ďMoge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt!Ē

Over deze uitspraak van Jakob is door de eeuwen heen veel gespeculeerd. Het ontbreken van Dan was de kerkvader Irenaeus ook al opgevallen. Hij zag hierin voor zichzelf een verwijzing naar de komende antichrist. De Uitspraak van Jakob is tevens de reden waarom diverse Bijbeluitleggers van mening zijn dat de antichrist uit de stam Dan zal komen. Daarbij wordt ook verwezen naar Jeremia 8:16-17:

ďVan Dan uit is te horen het snuiven zijner paarden; door het geluid van het hinneken zijner rossen beeft het gehele land; zij komen, zij verslinden het land met al wat erop staat, de stad met wie erin wonen. Want zie, Ik zend onder u giftige slangen, waartegen geen bezwering baat; die zullen u bijten, luidt het woord des Heren.Ē

De stam Dan komt dus heel negatief over in het Oude Testament. Dan komt weliswaar voor in de stammenlijst in 1 Kronieken 2, maar als daarna zes hoofdstukken lang alle stammen met hun geslachtsregisters worden langsgegaan, wordt Dan overgeslagen! Dit zou kunnen zijn omdat de stam Dan zich zeer nadrukkelijk met de afgodendienst bezig hield. In Richteren 17 en 18 staat namelijk dat Dan zich wendde tot afgoderij compleet met de installatie van een gouden kalf. Hoewel Dan in Jozua 19:40 wel degelijk een erfdeel toegewezen kreeg, kregen ze dat om de een of andere reden toch niet in bezit. Vervolgens namen ze in het gebied van de stam Naftali een stad in die ze vervolgens Dan noemden. Het lijkt er dus op dat Dan in de loop der geschiedenis vanwege zijn afgoderij en wandaden zijn erfdeel in het land Kanašn verkwanseld heeft en zij daardoor niet tot de 144.000 behoren (1 Koningen 12). Dat wil echter niet zeggen dat Dan ook zijn erfdeel in Gods Koninkrijk verloren heeft want Dan zal wel degelijk een deel hebben in het Messiaanse vrederijk. (EzechiŽl 48:1,2 en 32).

De conclusie moet dus zijn dat men het oordeel over de stam Dan niet moet baseren op zijn al dan niet negatieve vergelijking met een slang maar in de eerste plaats op de positieve belofte in Genesis 49:16: "Dan zal zijn volk richten als een der stammen IsraŽls!" Jacob voegt daar in Genesis 49:18 aan toe: "Op uw heil wacht ik, o Here", hetgeen hij bij zijn overige zonen niet deed. Ook al hebben heel wat IsraŽlieten zich schuldig gemaakt aan het overtreden van Gods wetten en het verwerpen van Jezus/Yeshua als Messias, toch zal uiteindelijk 'gans IsraŽl' behouden worden, zoals Paulus in Romeinen 11:26 heeft geschreven.

Samenvattend is het zo dat de 144.000 uitverkorenen wel degelijk het hele volk IsraŽl vertegenwoordigen, en ooit zullen zij een nieuw lied zingen voor Gods troon en samen met de grote schare die niemand tellen kan zullen zij roepen met luider stem Openbaring 7:10 ďDe zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam.Ē

Koningszegel uit de stam Dan

Dat Dan en EfraÔm in Openbaring 7 niet genoemd worden betekend dus niet dat ze voor altijd afgedaan hebben want in EzechiŽl 48:1-5 staat duidelijk dat deze twee stammen een plaats toegekend wordt in het duizendjarig vrederijk. Het aan Dan toegewezen erfdeel zal in het Noorden van Israel gelegen zijn. Hier wordt Dan zelfs als eerste genoemd en verwerft in deze profetie dus ook een deel. In de heilige stad is er volgens vers 32 zelfs een Dan-poort. Het feit dat eenmaal alle twaalf stammen van IsraŽl hersteld zullen worden, is een onbetwistbaar profetisch gegeven.

Opvallend is dat Jozef wel tot de 144.000 gerekend wordt maar EfraÔm niet. Opvallend is ook dat er in het Oude Testament teksten te vinden zijn waarin de namen Jozef en EfraÔm uitwisselbaar gebruikt worden. Dat is vreemd gezien het feit dat ook Manasse een zoon van Jozef is. Een bekend voorbeeld voor de uitwisselbaarheid van de namen Jozef en EfraÔm is te vinden in EzechiŽl 37:15-19, waarin de hereniging van de twee koninkrijken wordt aangekondigd:

ďHet woord des Heren kwam tot mij: Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de IsraŽlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef - het stuk hout van EfraÔm - en het gehele huis IsraŽls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot ťťn stuk hout, zodat zij in uw hand tot ťťn worden. Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? zeg dan tot hen: Zo zegt de Here Here: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef - dat aan EfraÔm toebehoort - en van de stammen IsraŽls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot ťťn stuk hout, zodat zij ťťn zijn in Mijn hand.Ē

In deze profetie wordt de naam Jozef twee keer verduidelijkt met EfraÔm terwijl de naam Manasse geen enkele keer genoemd word terwijl deze stam wel op de lijst van de 144.000 voorkomt en EfraÔm niet. Dat deze stam desondanks toch evengoed meegeteld wordt onder de naam Josef zou erop kunnen wijzen dat daarmee de rechtvaardigen uit deze stam bedoeld zijn, die zich niet schuldig gemaakt hebben aan de collectieve afgoderij en om deze redenen waardig bevonden zijn de naam van hun vader Josef te mogen dragen.

Terug naar: Inhoud