Ark des Verbonds

Door: Franklin ter Horst. (Aangemaakt: november 2002) ( Laatste bewerking: 16 september 2015)

Een van de meest raadselachtige voorwerpen die in het Oude Testament worden beschreven, is de "Ark van het Verbond". Deze ark is het indrukwekkende symbool van Gods aanwezigheid temidden van de kinderen van IsraŽl.Zij is het heiligdom waarin Mozes de tafelen der wet bewaarde die God hem op de berg Horeb had gegeven. Deze tafelen vormden de kern van het verbond dat God met het volk van IsraŽl had gesloten. De ark werd op bevel van Mozes vervaardigd. (Exodus 25:10 t/m 22 en 37:1 t/m 9). De ark is bekend onder een aantal verschillende namen zoals "De Ark van Jahwť","De Ark van God","De Ark van het verbond " en "De Ark van de Verbondsakte". De ark begeleidde de IsraŽlieten op hun tocht door de woestijn. Zij speelde een rol bij het overtrekken van de rivier de Jordaan, bij de inneming van Jericho en bij de intocht in Kanašn. In de tijd van de Richteren werd zij in het heiligdom van Silo bewaard. Er worden ongelukken met de ark beschreven waarbij talloze slachtoffers vallen. In alle gevallen waren zij de ark te dicht genaderd. Ook IsraŽls vijanden, de Filistijnen, kregen met de ark te maken, want nadat ze de IsraŽlieten bij de slag van Afek hadden overwonnen, roofden ze de ark en namen haar mee naar Asdod waar zij in de tempel van hun god Dagon werd gezet. (1 SamuŽl 5:1 t/m 12). Na zeven maanden van ellende begrepen de Filistijnen dat het geroofde eigendom van IsraŽlieten een dodelijk gevaar voor ze betekende en besloten ze de ark aan de rechtmatige eigenaars terug te geven.

Mozes en Jozua bij de ark

De ark werd vervolgens door de IsraŽlieten opgesteld in Beth-Semes. Maar ook hier richtte de ark een ware slachting aan onder de bewoners die haar te dicht waren genaderd. (1 SamuŽl 6:19). Zeventig doden vielen er in deze plaats en een grote groep mensen kreeg overal builen en zweren. Pas nadat de ark in het huis van Abinadab in Kirjath Jearim werd opgeborgen keerde de rust terug en raakte zij geleidelijk in de vergetelheid. Na 20 jaar onder de hoede te hebben gestaan van Eleazar, de zoon van Abinadab, kwam de ark weer in beeld toen David eraan herinnerd werd. (II SamuŽl 6:1 t/m 23). Deze haalde de ark daar weg maar de tocht naar Jeruzalem werd onderbroken door de dood van Uzza. Na drie maanden lang in het huis van de Gattiet Obed-Edom, te hebben gestaan, bracht David de ark tenslotte naar de stad Jeruzalem waar zij later door zijn zoon Salomo in het "Heilige der Heiligen" in de Tempel werd geplaatst.

Het verdere lot van de ark is ťťn van de meest intrigerende historische vraagstukken. De ark wordt niet genoemd in de uitvoerige lijst van schatten uit de Tempel die Nebukadnezar en zijn troepen hadden geroofd. De laatste Bijbelse verwijzingen naar de ark zijn te vinden in de boeken (Jesaja 37:14-15-16), ( 2 Koningen 19:15) en (Jeremia 3:16). De teksten in Jesaja en 2 Koningen hebben betrekking op koning Hizkia die in de Tempel een emotioneel beroep doet op de "Here die troont op de cherubs" om de leiding te nemen in de strijd tegen de Assyrische koning Sanherib, die Jeruzalem trachtte te veroveren. De profeet Jeremia verzekerde de inwoners van Jeruzalem dat ze eens over het verlies van de ark heen zouden komen; dat niemand ooit nog zou vragen waar de ark gebleven was.

Jeremia 3:16 Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord des Heren, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des Heren; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.

De Bijbel geeft verder geen enkel uitsluitsel waar de ark gebleven is. In het apocriefe boek 2 MakkabeeŽn, hoofdstuk 2:4 t/m 7, staat dat de profeet Jeremia op Goddelijke ingeving de Verbondstent en de ark liet halen en haar verborg in een rotsspelonk. Jeremia haalde het heilige object weg uit de stad en verborg het in de berg vanwaar Mozes het land IsraŽl had overzien vůůr zijn dood. Jeremia plaatste de tent, de ark en het reukoffer-altaar in de grot en sloot de toegang af.

Rabbijn Shlomo Goren en Rabbi Yehuda Getz, geloven dat de Ark is verborgen in een grot onder het Tempelplein direct onder het Heilige der Heiligen, sinds de tijd van Koning Josiah.

 

Volgens het in Jeruzalem gevestigde Tempelinstituut is de exacte locatie van de kamer bekend waarin de ďArk van het VerbondĒ zich zoubevinden, onaangeroerd, wachtend op de dag dat het tevoorschijn zal worden gebracht. Een paar jaar geleden zijn er graafwerkzaamheden verricht in de richting van deze kamer, maar deze zijn na hevige protesten van Mohammeds volgelingen gestaakt. De traditie wil dat Koning Salomo bij de bouw van de Eerste Tempel, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat toekomstige veroveraars de ark mee zouden nemen en de Tempel in de as zouden leggen. Dus Salomo, de wijste aller mensen, liet een systeem van labyrinten, corridors en kamers aanleggen onder het huidige tempelcomplex. Hij gaf opdracht een speciale plaats te bouwen om daar de religieuze voorwerpen uit de Tempel in op te bergen in geval van belegering van de stad Jeruzalem. Ook de Joodse talmoedist Rabbi Mozes Ben Maimon (Maimonides 1135-1204) verkondigde deze theorie.

 

Joodse overleveringen vertellen dat Koning Josia van IsraŽl, die leefde ongeveer 40 jaar vůůr de verwoesting van de Eerste tempel, de Levitische priesters de opdracht had gegeven de ark te verbergen, samen met de menorah en andere voorwerpen, in de geheime kamer die Salomo had laten aanleggen. Ook de staf van Ašron (Numeri 17) zou in deze kamer zijn opgeborgen.

 

In een drie-uur durende twee-delige video documentaire "The Great Secret of Solomon's Temple and the Hiding of the Ark of the Covenant." zegt Michael Rood op basis van Bijbelteksten te kunnen bewijzen dat de Ark onder het huidige Tempelplein moet liggen.

Vele deskundigen, Kabbalisten, Hollywood tekstschrijvers en filmregisseurs hebben zich met de ark bezig gehouden. Er bestaan een aantal theorieŽn waar de ark gebleven zou kunnen zijn. In een videofilm over de mogelijke verblijfplaats van de ark concludeert Michael Sanders dat de ark en vele andere Tempelschatten door de Egyptische Farao Ramses III zijn geroofd en naar Egypte meegenomen.

Een heel ander verhaal komt uit EthiopiŽ. De Ethiopische kerk beweert namelijk de ark al heel lang in haar bezit te hebben. Bij de vertaling van de Ethiopische "Kebra Negast" het befaamde boek der "Heerlijkheid der Koningen" staat een vrij uitvoerig verslag over de ark.

Het voorwerp zou door Baina Lehkem, (ook wel Ibna Hakim), zoon van koning Salomo en de koningin van Scheba, rond 1000 v.Chr, uit Jeruzalem zijn meegesmokkeld. Behalve het bezoek van de koningin van Scheba aan Salomo, vertelt de Bijbel echter niets over een gebeurtenis zoals in de Kebra Negast is opgetekend. Toch is het verhaal de moeite van het vermelden waard. Het is niet meer precies na te gaan wanneer de Kebra Negast is ontstaan, maar men vermoedt dat de oudste versie moet dateren uit omstreeks 850 v.Chr, De vertaling van de Assyrioloog Carl Bezold (1859-1922) gaat terug tot de teksten die de EthiopiŽrs Isaak en Jemharaha-Ab in het jaar 409 n.Chr, uit het Ethiopisch in het Arabisch vertaalden.

Al meteen in het begin van de Kebra Negast wordt de bouw van de ark beschreven, voor een groot deel overeenkomstig de Bijbelse versie. Ook wordt er melding gemaakt van het bezoek van de Ethiopische koningin Makeda (koningin van Scheba, red) aan Salomo. Zij had van een reizende koopman vernomen dat de IsraŽlische koning Salomo een zeer knappe man was die over een prachtig rijk regeerde. De koningin hoorde ook over de God van IsraŽl en over de mysterieuze ark die God aan het uittrekkende volk had gegeven. Naar aanleiding van deze verhalen besloot zij Salomo te bezoeken.

II Kronieken 9:1-12 De koningin van Scheba had de roep omtrent Salomo vernomen. Toen kwam zij te Jeruzalem om Salomo door raadselen op de proef te stellen, met een zeer groot gevolg en met kamelen, die specerijen, goud in overvloed en edelgesteente droegen. Nadat zij bij Salomo gekomen was, sprak zij met hem over alles wat zij op haar hart hadÖ.. Koning Salomo gaf aan de koningin van Scheba al wat zij begeerde en vroeg, meer dan zij de koning gebracht had. Daarop keerde zij met haar dienaren terug naar haar land.

De Kebra Negast vertelt dat de koningin negen maanden en vijf dagen na haar thuiskomst een zoon ter wereld bracht die zij Baina Lehkem noemde. Als deze jongen 22 jaar oud is reist hij met een groot gevolg naar Jeruzalem om daar zijn beroemde vader te bezoeken.

Kebra Negest 32 En hij, de zoon Baina Lehkem, was knap. Zijn hele bouw, zijn lichaam en de houding van zijn nek geleken op die van koning Salomo.

Koning Salomo was bijzonder blij met het bezoek van zoonlief en overlaadde hem met vorstelijke geschenken. Maar de zoon was eigenlijk alleen maar geÔnteresseerd in de ark omdat hij van zijn moeder had gehoord dat de Almachtige God van de IsraŽlieten zich daarin bevond. Hij gaf aan zijn vader de wens te kennen de ark te willen meenemen naar zijn moeder, zodat zij door de Almachtige God zou worden beschermd. Salomo was door dit verzoek behoorlijk van zijn stuk gebracht want uiteindelijk was de ark een onschatbaar heilig relikwie, dat van Mozes afkomstig was en bij hem in een speciale binnenkamer van de tempel werd bewaard, waar slechts uitverkoren priesters toegang hadden. Na lang aandringen kreeg zoonlief uiteindelijk toch zijn zin onder de voorwaarde dat het vervoer in het diepste geheim moest plaatsvinden en dat dit zonder zijn officiŽle medeweten diende te gebeuren. Tevens kreeg Baina Lehkem de opdracht voor een bedrieglijk echte replica te zorgen en deze op de plaats van de originele ark neer te zetten. Alles diende in het diepste geheim te gebeuren zodat noch de priesters uit de tempel, noch de gewone bevolking ook maar iets van de verwisseling zou merken. En zo gebeurde het volgens de Kebra Negast.

De ark werd ís nachts uit de tempel gehaald en met oude lappen bedekt naar het kamp van de EthiopiŽrs buiten Jeruzalem gebracht. Een week later braken de EthiopiŽrs op en vertrokken naar huis en niemand in Jeruzalem had tot dat moment gemerkt wat er in de tempelkamer met de ark was gebeurd.

Kebra Negast 50 Ze namen nu afscheid en trokken heen. Tevoren hadden ze Zion (de ark, red) ís nachts op een wagen geladen samen met waardeloze dingen en onreine klederen en allerlei gerei. De oudsten stonden op en bliezen de bazuin en de jeugd hief gejuich aanÖ..

Ondanks de bijna perfecte vervalsing ontdekten de tempelpriesters van Jeruzalem toch de diefstal van de originele ark en melden dit terstond aan Salomo. Er werd nog wel een achtervolging ingezet maar Salomoís ruiters konden de EthiopiŽrs niet meer achterhalen. Nadat de zoon met zijn gevolg de grens van EthiopiŽ was overgetrokken, voerde hij een vreugdedans uit rond het heilige relikwie. Er heerste grote vreugde en opgetogenheid in het kamp van de EthiopiŽrs en deze vreugde verspreidde zich snel over het hele land.

Kebra Negast 53 De ťťn zei het aan de ander. Allen dartelden als een kalf en klapten in de handen. Ze verbaasden zich, strekten hun armen ten hemel vielen op hun aangezicht ter aarde en loofden de God van IsraŽl in hun hart.

Moeder Makeda stond de heerschappij over EthiopiŽ af aan haar geslaagde zoon die zich voortaan koning "Menelik de Eerste" mocht noemen. Hij werd de stichter van de nieuwe Ethiopische dynastie. In de Ethiopische grondwet van 1955 staat in artikel 2; De koninklijke waardigheid zal voor alle eeuwigheden afstammen van dezelfde geslachtslijn als die zonder onderbreking van de dynastie van "Koning Menelik de Eerste" de zoon van de koningin van Saba (Scheba) en koning Salomo van Jeruzalem afkomstig is.

Koningin van Scheba met zoon Baina Lehkem de latere Menelik

Ook keizer Haile Selassie (1892-1975) bijgenaamd, Ďde leeuw van Judaí leidde zijn regentschap van koning Menelik af. De Ethiopische heersers waren er allen van overtuigd dat zij dank zij de onoverwinnelijke kracht van de ark des verbonds, alle andere heersers de baas waren, doordat ze onder directe bescherming van de Hoogste God stonden.

Baina Lehkem zou de ark naar Aksoem hebben gebracht waar zij volgens diverse bronnen nog steeds zou moeten zijn onder de hoede van de priesters der Maria Kathedraal. Aan het bezit van dit heiligdom dankt Aksoem zijn positie als religieus centrum van het Koptische Christendom. Er is een artikel verschenen in United Press International van Beth Potter, waarin zij Aartsbisschop Gerima citeert die zegt dat de ark zich nog steeds in Aksoem bevindt. Over het hele land is in iedere kerk een replica van de ark te zien. De patriarch van de Ethiopische orthodoxe kerk, Abuna Pauolos, zegt dat de Ark al eeuwen in een Ethiopische kerk verborgen wordt gehouden. Pauolos is volgens eigen zeggen ťťn van de zeer weinige mensen die de echte Ark hebben mogen aanschouwen. Om deze lokatie geheim te houden, zou een replica van de Ark in iedere Ethiopische kerk zijn geplaatst. De EthiopiŽrs hebben nooit in twijfel getrokken dat Salomo de vader was van hun Baina Lehkem. Het was volgens hen vanzelfsprekend dat de mannelijke afstammelingen van deze zoon de wettige koningen van AbessiniŽ waren, en daar Salomo een voorvader was van Jezus, waren ook zij bloedverwanten van de Here God en eisten zij derhalve de regering van het land op met Goddelijk recht.

Het gerucht gaat dat Ďde arkí zich niet meer in Aksoem bevindt maar dat zij tijdens de Italiaans-Abessijnse oorlog van 1935-1936, door de Italianen is geroofd en naar Rome is meegenomen alwaar zij zich zou bevinden in ťťn van de geheime kelders van het Vaticaan. Niemand schijnt de waarheid van dit gerucht te kunnen bevestigen en woordvoerders van het Vaticaan hebben zich nooit geroepen gevoeld om vragen hieromtrent te beantwoorden.

Terug naar: Inhoud